top of page

Lees hier een paar verhalen van Abatutu uit het boek De kat in De Kat un Wilde Stad - geschreven door Koos de Wilt

kaft wilde stad.png

Vondelpark - Halsbandparkiet

 

AANPASSEN

 

Om onbegrijpelijke redenen vinden honden het fantastisch om een balletje te pakken en deze weer braaf terug te brengen naar hun baasje. Zodat die dat balletje nog een keer kan gooien. Honden kunnen er uren druk mee zijn, wat weer eens bewijst hoe dom ze zijn. Op een zonnige dag klauter ik graag op de empirestoel bij de tennisbanen in het Vondelpark. Want ook op een tennisbaan willen die blaffers niets liever dan achter het gele balletje aan rennen dat heen en weer wordt gemept. Maar dat mogen ze niet. Je ziet ze onrustig heen en weer lopen en hoort ze teleurgesteld piepen. Helaas word ik tijdens dit vrolijke kijkspel vaak gestoord door een groepje halsbandparkieten. Vanuit  hun veilige plek, hoog in een boom, blijven ze me uitfoeteren, met hun kopjes naar beneden. Die brutale vlerken roepen dat ik moet ophoepelen. Ze denken dat dit hun domein is. Niemand kan tegen ze op, met hun lange slagpennen zijn die lawaaischoppers razendsnel. Alleen de slechtvalk is vlugger, die haalt zelfs met gemak een TGV in. Tussendoor heeft hij ook graag zo’n groene grapjas op zijn menu staan.

 

Ze bleken hier wonderwel te aarden door de juiste mix van zichzelf blijven en zich tegelijkertijd een beetje aan te passen aan hun nieuwe omgeving.

Je kunt veel over de halsbandparkieten zeggen, grijs, zoals de rest van het park, zijn ze zeker niet. Samen met paar winterkoninkjes, Vlaamse gaaien en roodborstjes, brengen ze wat kleur tussen de grauwe zanglijsters, mezen, heggenmussen, spechten en de saai uitziende vliegenvangers. Maar het blijven vreemde snuiters, met hun opzichtige groene tooi en de zwarte lijn die uitloopt in een oranjeroze halsband op hun achterhoofd. Ook aan hun korte, scherp omlaag gebogen haaksnavel kan iedereen zien dat deze macho’s niet van hier zijn. Hun voorouders kwamen gekooid uit tropisch Afrika en Zuid-Azië hier naartoe, waar ze voor de mooi in huis werden gehouden. Omdat ze daar ook zo’n herrie maakten, werden er eind jaren zeventig een paar uitgezet door een mysterieus vogelvrouwtje. En ze overleefden die vrijheid, inmiddels zijn ze met vele duizenden buiten aanwezig. In de winter zitten ze graag met z’n allen in een paar naast elkaar gelegen bomen, ze schijten de eronder gelegen wandelpaden wit.

 

Ze blijken hier wonderwel te aarden door de juiste mix van zichzelf blijven en zich tegelijkertijd een beetje aan te passen aan hun nieuwe omgeving. Met een beetje bijvoederen in de winter zijn ze inmiddels het Vondelpark niet meer uit te slaan. Ze wonen in de holen waar vroeger alleen kauwtjes, spechten, boomklevers en uilen woonden. En hebben die andere vogels dan niet geprobeerd deze vreemdelingen met man en macht het park uit te zetten? Eigenlijk niet, er blijkt daar genoeg plek te zijn, zelfs voor deze nogal irritante exoten. Alleen de boomklevers hebben in het begin wat last van ze gehad, zo gaat het verhaal. Inmiddels accepteren ook zij schoorvoetend hun nieuwe buren. Het is wat het is.

Begraafplaats Zorgvlied - Eekhoorn

 

KWIJT

 

Ik kom graag op begraafplaats Zorgvlied. Er hangt daar zo’n relaxte sfeer. Er wordt veel uitgerust daar, in die eindeloos lange lanen. Mensen doen er behoorlijk ingewikkeld over, de overledenen, ze zijn vaak tot dikke tranen toe geroerd als ze iemand kwijt zijn. Wij katten zijn daar stukken makkelijker in, als er een poes doodgaat, ga ik er gewoon tegenaan liggen. En als ie koud wordt, ga ik weer op zoek naar een ander maatje. Vandaag is het gelukkig lekker rustig, afgezien van die jongens met die lange staarten, die weer druk door de bomen krioelen. Ik draai mijn poot niet om voor het beklimmen van een boom, maar toch, in de eekhoorn moet ik hierin mijn meerdere erkennen. Met hun staart als roer springen ze van de ene naar de andere boom, het zijn ware acrobaten.

 

Omdat ze zóveel begraven, weten die kleine grapjassen niet meer waar ze hun nootjes hebben verstopt.

Ik strek me uit over een van die artistiek uitziende graven, vast van een menspersoon die in zijn leven iets bijzonders heeft gedaan. Zo heb ik beter zicht op die langstaarten. Een beetje hyper zijn ze wel. Het lijkt of ze allemaal iets kwijt zijn, maar wat? Dan zie ik het. Ze begraven walnoten op oude graven die niet meer worden onderhouden. Door hun slechte kortetermijngeheugen, of omdat ze zóveel begraven, weten ze niet meer waar ze hun nootjes hebben verstopt. Tsja, ze mogen dan snel zijn, van hun herseninhoud moeten ze het duidelijk niet hebben.

 

Ik ben niet de enige die de beestjes in de gaten houdt. Ook vogels als de Vlaamse gaai houden een oogje in het zeil, ze graven de noten op die de eekhoorns net in de grond hebben gestopt. Raken die druktemakers nog meer van in de war. Zonder dat ze het doorhebben doen de eekhoorns best goeie dingen. Een soort tuinmannetjes zijn het. Door het graven wieden ze de boel een beetje om, de vergeten noten ontkiemen en groeien soms uit tot prachtige walnootbomen. Ze brengen nieuw leven op een plek waar daar grote behoefte aan is. Vinden mensen deze beestjes daarom zo leuk? Of komt het door die schattige koppies en die harige staarten? Mensen doen alles voor die domkoppen. Je gelooft het niet, er is zelfs een speciale eekhoornbrug aangelegd tussen het Amsterdamse bos en het Amstelpark. Echt waar, geen grap. Zo kunnen de eekhoorns zich verplaatsen van het bos naar Zorgvlied en het Beatrixpark, zonder dat ze worden aangereden. Het schijnt te werken, ik kom steeds minder vaak zo’n geplette langstaart tegen. En ik zal je een geheimpje verklappen, als ik trek heb in een lekkere lunch, neem ik die brug ook wel eens.

R4d38c4879265a3e050e7d8560dd81b4c_edited
external-content_edited.png

Amstel - Amerikaanse rivierkreeft

EAT IT!

 

Soms wanneer ik langs een terras loop, word ik opgeschrikt door een luide schreeuwpartij. Dan sta ik even stil want een knetterende ruzie tussen tweevoeters wil je niet missen. Bij nader inzien blijkt het meestal om een alledaagse conversatie te gaan. ‘O MY GOD! THAT’S AMAAAAAZING!!’ wordt er getetterd. Dan weet ik genoeg, er zijn Amerikanen in gesprek. Of het nu toeristen zijn of expats, ze gedragen zich allemaal hetzelfde. Luidruchtig nemen ze hun plek in. Zich aanpassen, daar doen ze niet zo aan. Ze zijn gewoon wie ze zijn, met al die decibellen erbij. Bij uitzondering spreken ze een paar woordjes Nederlands, daar zijn ze dan ontzettend trots op. Gewoon ‘Amsterdam’ zeggen, dat lukt ze al helemaal niet, het is en blijft ‘Emsterdem’. Meestal zijn ze heel vriendelijk hoor, daar niet van. Vooral als ze ‘OH, SOOO CUTE!’ gillen wanneer ik voorbij hun gele huurfiets schiet. Ze komen met velen, inmiddels is hun nasale stemgeluid de voertaal geworden op de meest toeristische plekken van de stad. Niet dat alle Amerikanen dat leuk vinden. Sommigen laten zich liever gidsen naar plekken waar ‘only locals’ komen. Weird.

 

Bij een chique hotel als het Amstel hotel staan ze al op de kaart

Intussen worden ook de Amsterdamse wateren bevolkt door de Amerikanen, zij het van een minder luidruchtig slag. Deze geharnaste beestjes krioelen op de bodem van de Amstel tussen de fietswrakken. Soms waggelen ze het water uit, op zoek naar een betere plek. Bijvoorbeeld als er te weinig zuurstof is, of voedseltekort. Zo’n dertig jaar geleden zijn deze Amerikaanse rivierkreeftjes voor het eerst gezien in de Nederlandse sloten en plassen. Inmiddels zijn ze met vele honderdduizenden en leven ze overal, ook in de stad. Eerst moesten ze hun plek veroveren in de steeds ingewikkelder wordende voedselketen van het stadse leven. Dat is goed gelukt, misschien is hun positie nu zelfs een beetje te dominant geworden. Ze vreten de sloten kaal waardoor sommige vertrouwde planten en ander leven het loodje dreigen te leggen. Ze veroorzaken ook schade aan de oevers van sloten en grachten.

 

Ik kijk graag naar ze, vooral naar hun grappige wandeltochten waarbij ze met hun jonkies onder de staart in een achterwaartse beweging door de straten paraderen. Grappig is ook als die onderkruipsels in gevechtshouding gaan staan als ik eraan kom schuifelen. Wat te doen tegen deze overdosis Amerikaanse aanwezigheid? Al zeg ik het zelf, de oplossing is nogal simpel, opeten! Culinair aangelegde tweevoeters zijn dol op die beestjes. De enige manier om de boel een beetje onder controle te krijgen is dat de lokale koks onze Amerikaanse rivierkreeften vaker op de menukaart gaan zetten. Daar gaan ze mee scoren, want kenners likken hun vingers erbij af. Bij een chique hotel als het Amstel hotel staan ze al op de kaart. En de Amsterdammer die zelf zijn maaltje kookt, hoeft maar van zijn fiets te stappen om ze te vangen zodat hij diezelfde avond een mooi voorgerecht op tafel kan toveren. Tenminste, als andere fijnproevers zoals futen en reigers hem niet voor zijn, want óók zij hebben de rivierkreeftjes inmiddels op hun menu staan.

bottom of page