top of page
Ronald-de-Leeuw.jpg
rijksmuseum-logo.png
glass_of_water_and_coffee_pot.jpg

JEAN BAPTISTE SIMÉON CHARDIN (1699-1779)
'Glass of Water and Coffee Pot', 1760 (oil on canvas)

‘KUNST IS IETS WAT JE DEELT, ANDERS IS HET HELEMAAL NIKS’

 

Ronald de Leeuw, hoofddirecteur Rijksmuseum

 

Van alle kunstvormen zijn beeldende kunst en muziek mij het meest lief. Het prettige van muziek is dat ik daar professioneel niets mee hoef, ik ben dan gewoon consument. Alhoewel, helemaal klein en blond kan ik nooit naar de opera of het Concertgebouw gaan. In de pauze komt er altijd wel iemand op me af met de opmerking: ‘Goh, nu ik je toch zie...’

 

Dat hoort misschien ook bij een kunsthistoricus die in de kunstwereld werkt. Het leven is dan meestal een gesamtkunstwerk, het kleurt alles wat je doet. Een Amerikaanse vriend van mij zei twintig jaar geleden al: ‘Jij bent de hele dag met kunst bezig en kom je thuis, dan pak je ter ontspanning een kunstboek.’ Dat klopt wel. Als je kunstgeschiedenis gaat studeren weet je eerst niet eens of het een carrière wordt. Als je echt iets wilt, moet je geen kunstgeschiedenis gaan studeren, heet het. Ik ben het toch gaan doen en dan zet je door en krijg je zelfs je eerste baantje, tot je op den duur hier zit. Ik ben bijzonder hoogleraar aan de VU en studenten komen wel eens naar mij toe en zeggen dat ze naast kunstgeschiedenis als bijvak iets met marketing willen. Dat begrijp ik niet goed: zitten ze aan een universiteit en kunnen ze zich laven aan de grootste geesten van hun tijd. ‘Doe dan filosofie of literatuur erbij, maar geen marketing,’ zeg ik in dat geval. Maar studenten zijn nu al in een vroeg stadium met geld bezig. Ik vind een keuze voor je carrière toch één van overtuiging dat je daar mee bezig wilt zijn. 

 

Zaakjes goed regelen

Inhoud is wat mij drijft. In mijn functie word je geacht over meer na te denken, maar alles dient wel de inhoud. Ik ga niet verbouwen omdat ik zo van bouwen houd. Bij het Rijksmuseum wordt verbouwd omdat wij vinden dat het museum als gebouw voor het ontvangen van jaarlijks meer dan een miljoen mensen niet optimaal meer functioneert. Dat hoort dus bij de functie van directeur van dit museum, net als financieel beleid, personeelsbeleid, merchandising, het kiezen van thema’s van tentoonstellingen en het doen van aankopen. Het mooie van de functie is dat het allemaal bij elkaar komt. Je kunt tegenwoordig geen instellingsdirecteur meer zijn als je niet beide kanten leuk vindt. We doen dan wel vaak alsof dat allemaal nieuw is, maar toen ik in 1986 directeur werd van het Van Gogh Museum, speelde dat ook al. Misschien waren de directeuren van vroeger wel gewoon slimmer dan wij. Die straalden een zeer inhoudelijk imago uit en regelden intussen hun zaakjes goed.

 

Metropolitan Museum

Ik zeg wel eens gekscherend: ik ben tot 1914 bevoegd. Over de perioden daarna ben ik redelijk op de hoogte, maar eclectisch. Om die reden zit ik wel redelijk op mijn plaats hier. We zijn bezig een museum te maken dat aansluit bij een eigentijds levensgevoel. Het Metropolitan Museum in New York bijvoorbeeld is eigenlijk een heel ouderwets museum, maar toch moet je juist daar zijn. Ik doel dan op aspecten als de uitstraling van de voorwerpen, de zorg, de autoriteit en het comfort dat er geboden wordt. Het museum heeft een aangename ambiance en vervult in New York een beetje de functie van stadhuis.

Het Rijksmuseum is een ander type museum, maar we kunnen veel leren van het Metropolitan. Mensen komen niet hier naartoe om te vinden wat ze thuis hebben, ze komen voor iets bijzonders. Dat kan met technische foefjes en virtuele media, maar uiteindelijk moet het authentieke voorwerp het trekken en de belevenis genereren. Je kunt hier oog in oog staan met de werkelijkheid van de kunst en met de werkelijkheid van de geschiedenis. Het voorwerp dat je bij ons vindt, is er echt bij geweest in 1731 of in 1824. Wij moeten proberen aan de voorwerpen die authenticiteit te ontlokken. De objecten hebben het in zich, maar de presentatie kan veel helpen, ondersteunen. Dat gaan we beter doen. We willen ook meer openheid, het gebouw is nu een gesloten burcht. De ophaalbrug moet naar beneden. Van de onderdoorrit onder het museum maken we de ingang. Daar loopt en fietst iedereen nu toch al. Wij worden daarmee straks het eerste drive-in museum van Nederland.

 

Integreren, confronteren en combineren

Het Rijksmuseum begint bij de natievorming, het moment dat Nederland een land wordt, van de late Middeleeuwen tot heden. Wij zijn ook een geschiedenismuseum en geschiedenis kun je niet afhakken bij 1914, geschiedenis is altijd kijken naar het verleden vanuit het heden. Je kunt het niet vanuit een andere plek doen. Als blanco bezoeker moet je bijvoorbeeld antwoord krijgen op de vraag hoe het mogelijk is dat Nederland een republiek is met een koningin aan het hoofd. Dat antwoord moest je tot op heden op vier à vijf verschillende plekken in dit museum bijeen sprokkelen, nu gaan we de aparte afdelingen mengen, integreren, confronteren en combineren. Vaak hebben kunstobjecten en historische objecten de lading van beide in zich. Een schuttersstuk is een historisch document en als dat door Bartholomeus van der Helst geschilderd is, heeft het ook een enorme kunstwaarde. Het is en/en. Hetzelfde geldt voor het vrouwenportret van Mary Stuart door dezelfde schilder. Dat is én kunst én geschiedenis.

Bij Chardin ervaar je een magische sfeer die niet zo sec beschrijvend en precies is als bij onze Nederlanders. Hij bereikt een effect met een simpele druiventros dat ongeëvenaard is en dat we niet meer kennen in ons moderne leven.

Vaak zijn historici bang dat het verhaal van de geschiedenis in de toekomst niet als één doorlopend verhaal te lezen is. Ik vind het een fictie te geloven dat dat verhaal bestaat. Die illusie kan in een boek gecreëerd worden.Voorwerpen kunnen slechts evocaties bieden van elementen van de geschiedenis. Toen ik hier net kwam, vond ik het geschiedenisaspect heel even het boeiendste deel van het vak -- omdat het nieuw was -- maar al gauw merkte ik dat het helemaal niet zo nieuw was en dat ik het altijd al in mijn pakket had gehad. Ook bij kunstgeschiedenis gaat het al lang niet meer alleen over de stijlontwikkeling, maar ook over de context waarin kunst wordt gemaakt en dan zit je al middenin de geschiedenis. De volgorde van Meneer Bicker geschilderd door Ferdinand Bol of Ferdinand Bol schildert Meneer Bicker is voor mij niet zo interessant. Ik hoef het niet te scheiden.

 

Modern en ouderwets

Hoe we de geschiedenis indelen is nogal arbitrair. Ik ben er zelf niet zo van overtuigd dat de fases waarin we onze recente geschiedenis opdelen zulke grote tijdsgewrichten zijn. We kennen allemaal toch het besef dat een tekst van Montaigne actueel en modern lijkt, terwijl een jurk van vier jaar geleden ‘ouderwets’ heet. Of de wereld sinds die beruchte 11 september echt veranderd is, zullen we later wel zien.

Ook bij de indeling van het verleden geldt dat. Sommigen noemen de Romantiek de korte periode waarin Delacroix geschilderd heeft, anderen beginnen in 1760 en houden op bij het symbolisme. Weer anderen rekenen er zelfs het surrealisme bij of zeggen dat we nog steeds in de romantische tijd leven. De ecologie is in dit wereldbeeld gewoon een uitloper van Rousseau. De definities van de tijd waarin we leven zijn flexibel. Het zijn ook verschuivende patronen met ingrediënten die steeds weer terugkeren. Maar zijn ze nou echt zo verschillend behalve dat ze er verschillend uitzien omdat alles er via de mode nu eenmaal anders uitziet?

Als kunsthistoricus ben ik iemand die graag lijnen trekt en dingen verbindt. Ik ben ook meer van de synthese dan van heel diep in een putje graven. Natuurlijk zullen alle vernieuwers in de wereld zeggen dat al het oude verschrikkelijk was en dat ze heel anders zijn -- dat moet je ook zeggen anders kun je geen vernieuwer zijn -- maar op een gegeven moment zie je toch de stenen van degenen op wie ze gebouwd hebben. Verbanden leggen is overigens niet hetzelfde als verklaren. Je kunt net als Freud in de psychiatrie overal een naam op plakken, maar je ontdekt al snel dat daaronder weer een groter geheim te vinden is. In de muziek mag ik graag zeven tot tien versies van eenzelfde werk kopen. Waarom? Omdat er steeds weer iets anders onder de noten te vinden is. Wanneer ik bijvoorbeeld een zangeres hoor die een aria net weer een beetje anders zingt, met een eigen timbre, dan verjongt dat mijn belangstelling omdat iemand het anders belicht. Datzelfde geldt voor tentoonstellingen.

 

Stilleven

Kunst is iets dat je deelt. Als je het niet deelt is het helemaal niets. Dat zombieachtige dat je de laatste tijd wel in musea ziet, hoeft helemaal niet. Als je mensen iets brengt wat ze fascineert dan laden ze zich op met energie en blijven ze uren kijken en praten. Nadeel van onze zapcultuur is dat er weliswaar veel beschikbaar is, maar dat iedereen iets anders ziet. Het gaat zo snel dat over sommige dingen niet meer zo gepraat wordt. Het voordeel van een grote instelling is dat je iets kunt maken dat door veel mensen gezien wordt. Daardoor kun je bijdragen leveren aan iets wat je deelt. Ik ben zelf een alleseter, maar het brede zwaartepunt van mijn kunstliefde ligt van Renaissance tot einde van de negentiende eeuw. Die breedte heb ik bij muziek ook: ik houd van Monteverdi tot Berg, Britten of Henze. In schilderkunst ben ik dol op classicismen in alle vormen. Poussin is een van mijn favorieten, maar ik houd ook veel van spirituele achttiende-eeuwse terracotta’s.

Ik ben de laatste jaren sterk geboeid geraakt door de verfijning van de dixhuitieme kunst. De stillevenschilder Chardin is sinds mijn studietijd al een van mijn grote liefdes. Hij is zeer beïnvloed door de Nederlandse schilderkunst, maar genereert een heel andere belevenis. Het stilleven als genre spreekt mij zeer aan, omdat de kunstenaar er helemaal zijn eigen gang in kan gaan. De schilder hoeft zich aan niets anders te houden dan aan de voorwerpen en wat hij daar zelf mee wil doen. De voorwerpen spreken niet in protest terug als je er iets oneerbiedigs mee doet. Er is wel eens gezegd dat een paar appels van Cézanne de wereld hebben veranderd doordat hij ze op een bepaalde manier schikte. In Nederland is het stilleven in de zeventiende eeuw een nogal precies ingedeeld specialisme geworden en niet meer die vrije speelplaats; daarom vind ik het Nederlandse stilleven soms wat minder interessant. Bij Chardin ervaar je een magische sfeer die niet zo sec beschrijvend en precies is als bij onze Nederlanders. Hij bereikt een effect met een simpele druiventros dat ongeëvenaard is en dat we niet meer kennen in ons moderne leven.

 

Zorgvuldigheid en tijd

Veel mensen hebben het gevoel dat de maatschappij vooruit gaat en dat de mensen vroeger wat simpeler waren dan nu. Maar als je de tijd neemt je te verdiepen in waar Plato en Aristoteles mee bezig waren, dan vraag ik me af: ‘Who is talking about slim zijn?’ ‘Wij hebben het denken niet uitgevonden,’ zegt een vriendin van mij. Maar toch gedragen we er ons niet naar. Het verlichtingsdenken mag door de Tweede Wereldoorlog misschien wel flink geknakt zijn, maar geeft uiteindelijk toch het gevoel dat mensen nodig hebben om verder te gaan. Voor mij ligt niet alle heil in de toekomst. Ik heb grote bewondering voor bepaalde dingen van het verleden die we niet meer hebben. Zorgvuldigheid en tijd bijvoorbeeld. Wij besteden geen moeite meer aan iets dat alleen maar een tussenstadium is. Wij zijn alleen maar gericht op het volgende. Daar ligt voor een deel de magie van een stilleven. Dat creëert een eigen wereld die bestaat zonder de context waarin het geschilderd is.

 

[cv]

Ronald de Leeuw is op 5 oktober 1948 geboren in Rotterdam. Hij is sinds 1996 hoofddirecteur van het Rijksmuseum Amsterdam en is sinds 1994 bijzonder hoogleraar museumbeleid en geschiedenis van het verzamelen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Voor 1996 was hij algemeen directeur van het Van Gogh Museum (1986-1996), hoofdconservator collecties van de Rijksdienst Beeldende Kunst (1984-1985) en hoofd tentoonstellingen van de Dienst Verspreide Rijkscollecties (1977-1984).

[2004]

 

bottom of page