top of page

Loek Brons over realistische kunst en zijn handel erin
‘Er moet reuring in de tent zijn’

Loek Brons woont en werkt in een modernistische witte villa op de chique Amsterdamse Apollolaan, schuin tegenover het Hilton. De ijzeren poort schuift normaal alleen open voor zijn kinderen en zeventien kleinkinderen, maar ook voor de gasten die zijn schilderijen willen en kunnen kopen.  

Interview: Koos de Wilt voor Het Financieele Dagblad (2006)

 

Achter het schuifhek en achter de voordeur tref ik een hartelijke Loek Brons met overal om ons heen schilderijen: beneden aan de trap heel veel Helmantels, op de trap Willinks portret van Loek en Miep en boven, rondom de hoefijzervormige, tientallen meters lange, leren bank hangt en staat werk van Carel Willink, Wim Schuhmacher, Pyke Koch, Raoul Hynckes en schilderijen van nog levende kunstenaars als Andrew Hemingway, Hans Kanters, Peter van Poppel, John Kalb en Willem van Velthuizen. Koffie staat klaar evenals een taartje voor de gast. Brons is 72 inmiddels, maar probeert met zijn nieuwe website vóór te blijven op zijn collega’s en op een tijd in de toekomst dat hij misschien minder goed ter been wordt. Hij is enthousiast over de mogelijkheden van  zijn digitale nieuwsbrief en de reacties die hij krijgt op zijn website. ‘Ik heb via mijn website al veel extra verkocht. Op mijn actie met die Helmantels heb ik acht Helmantels verkocht waaronder ook dure.’

 

Het is voor de van oorsprong Gelderse textielhandelaar nooit de bedoeling geweest om kunsthandelaar te worden. Eigenlijk wilde hij alleen maar zijn collectie upgraden. ‘Nadat ik mijn 175 zaken had verkocht, ben ik kunstgeschiedenis gaan studeren en daar wilde ik iets mee’, legt brons uit. ‘Omdat ik cum laude was afgestudeerd heb ik overwogen te gaan promoveren. Maar op dat moment had ik net een aantal Willinks verkocht om een betere kwaliteit te kopen en toen kwam van het één het andere en voor ik het wist, handelde ik in kunst. Ik herinner me ook nog goed dat ik een keer een groot chique banket had georganiseerd in Arnhem rondom mijn collectie van Willink. Er waren toen twee journalisten bij van de Arnhemse Courant en de Gelderlander. Eén daarvan, de jonge Henk Meutgeert, schreef een rotstuk over die “kapitalist” en “onderbroekenkoning” Loek Brons die zich verbeeldde ook iets van kunst te weten. Dat liep toen enorm op en er verschenen allemaal brieven in de krant. Zelfs de burgemeester kwam bij te pas om zijn verontschuldigen uit te spreken.' Brons: 'Natuurlijk hadden de journalisten gelijk dat ik een onderbroekenkoning was, maar ben ik ook zeer trots op. Ik weet wat ik er allemaal voor heb moeten doen om dat te worden.’

'Natuurlijk hadden de journalisten gelijk dat ik een onderbroekenkoning was, maar ben ik ook zeer trots op.'

De persoon Carel Willink heeft Brons leren kennen toen de schilder benieuwd werd naar die man die zoveel van zijn werk kocht. ‘Vanaf dat moment heb ik zo’n tien jaar met hem opgetrokken en heb eindeloos veel gesprekken met hem gevoerd. Ik ben me toen gaan bedenken dat ik daar iets mee wilde doen. Ik heb zijn hele archief gekopieerd en heb dus een enorme documentatie. Aanvankelijk waren een aantal van mijn Willinks niet te koop. Die wilde ik voor mezelf houden, maar dat werkte niet. Mijn beste klanten wilden juist die Willinks kopen die ik niet wilde verkopen. Toen heb ik gezegd: “Oké, alles is te koop, maar ík bepaal de prijzen”. Voor het schilderij Mathilde tussen de monsters vraag ik daarom 450.000 euro, en ik realiseer me dat dat een behoorlijke prijs is. Ik heb hem een keer verkocht en later weer teruggekocht.’ Volgens Brons was dit schilderij ook Willinks favoriete schilderij uit zijn zogenaamde Bomarzo-periode, geïnspireerd op de raadselachtige tuin bij het Italiaanse Orvieto.

 

Magisch realisme

Brons specialisme is realisme, het magisch realisme tot en met modern realisme van levende schilders. ‘Ik begrijp de betekenis van abstractie voor de schilderkunst, ik ben zelfs afgestudeerd in de abstracte kunstenaar Gerrit Benner, maar ik heb er nooit veel affiniteit mee gehad’, legt Brons uit. ‘Ik vind het een tussenvorm die zijn weg moet zien te vinden in een realiteit. Van kinds af aan ben ik geboeid door het magisch realisme. In weet nog dat er in 1968 een tentoonstelling was in Arnhem waar ik als beginnend zakenman aanwezig was. Ik zag daar mensen als Freddy Heineken rondlopen en ervoer die wereld als een onbereikbare droom. Het was in zekere zin magisch realistisch.’ Brons heeft een brede belangstelling, maar met kunst is het volgens de handelaar hetzelfde als met textiel: je moet keuzes maken. Brons: ‘Mijn motto was altijd: ik wil de goedkoopste zijn. Mensen zeiden dan: “Je kunt toch ook de mooiste zijn?” Maar dan zei ik altijd: “Maar dan ben ik niet meer herkenbaar”. Ik wil duidelijkheid. En dat ook in de kunst, dus heeft mijn kunst te maken met realisme. Of dat nou Willink is of Willem van Velthuizen of Henk Helmantel. Het gaat Brons om een goed geschilderd schilderij. Hij gaat hem dan niet alleen naar de techniek, maar ook naar de compositie, de effecten, de gevoelens en symboliek. 17de-eeuwse Hollandse meesters zijn natuurlijk het echte, maar ik vind dat magische schilders als Koch, Willink en Hynckes het zeker houden tegenover de oude meesters uit de Gouden Eeuw.'

‘Mijn motto was altijd: ik wil de goedkoopste zijn. Mensen zeiden dan: “Je kunt toch ook de mooiste zijn?” Maar dan zei ik altijd: “Maar dan ben ik niet meer herkenbaar”. Ik wil duidelijkheid. En dat ook in de kunst, dus heeft mijn kunst te maken met realisme.'

'Een werk van Heda is natuurlijk absolute klasse en het heeft in zijn compositie, waarbij op sublieme wijze gebruik wordt gemaakt van de Gulden Snede, natuurlijk de norm gezet voor een schilder als Henk Helmantel. Maar het werk van Helmantel voegt daar iets aan toe: het drukt ook nog iets van onze tijd uit.’ Hoe ziet Brons de verhouding tussen de kunst van de realisten van voor de oorlog en erna? Brons: ‘De magisch realistische werken die ik verkoop zijn de absolute top. Daarna is er een hele tijd niets en daarna komen dan de werken van Helmantel, John Kalb, Willem van Velthuizen en dergelijke. Daarvan vind ik Helmantel dan de beste. Het meest beleefde, mannelijke, calvinistische, oer-Hollandse. De architecturale werken van Van Velthuizen zijn natuurlijk ook ongelofelijk, zo doordacht hoe het licht valt en de schaduwen. Het klopt tot op de millimeter. Het is – net als – Willink een cerebraal schilder. Zijn gevoel zit in het puntje van z’n penseel, het is niet een man van de woeste haal.’  

 

Wat maakt de tijd?

Iedere schilder of schilderschool is niet constant in de kwaliteit, vindt Brons. ‘Het werk van de Cobra-beweging tussen 1948 en 1955 was tijdsbeeldbepalend. Schilderijen van Appel uit die tijd brengen een veelvoud op van het werk dat hij daarna is gaan maken. Een werk uit zijn goede tijd kost op de veiling miljoenen, terwijl het werk dat hij nu maakt, en waar hij aanzienlijk langer aan werkt, hooguit 65.000 euro opbrengt.’ Het is voor Brons nog steeds een groot raadsel om te achterhalen wat het nou is dat een tijd bepaalt en waarom het zo’n korte tijd duurt. Brons: ‘Het magisch realisme was het meest krachtig in de jaren dertig. Na de oorlog was het volkomen weg. Hoe komt het nou dat je zo tijdsbeeldbepalend en daarna absoluut niet meer? Waar ligt dat aan? Dat blijft voor mij een groot raadsel. Toch zie je dat Willink nooit meer de magie heeft bereikt die hij in de jaren dertig wel had. Na de oorlog was het geen kunst meer, maar een kunstje.’ Vaak heeft dat volgens Brons met de jeugd te maken, maar sommige grote schilders komen steeds weer terug, zo legt de handelaar uit: ‘Rond 1907 was Picasso met het kubisme een wegbereider voor de hele moderne kunst, maar na de Eerste Wereldoorlog kwam hij terug met prachtige classicistische schilderijen en was daarmee een voorbereider voor het magisch realisme. Ook Rembrandt was in de jaren dertig, toen hij net in Amsterdam was, markttechnisch het meest succesvol, maar als je dan voor het Joodse Bruidje staat, een schilderij uit zijn laatste levensjaren, dan is dat ook geweldig. Dat is misschien wel het mooiste en meest ontroerende schilderij dat ik ken. Het is natuurlijk een gotspe dat ze Rembrandt afgekeurd hebben voor de decoratie van het prestigieuze nieuwe Amsterdamse stadhuis dat van Jacob van Campen in 1648 was gaan bouwen. Daar hebben ze toen allemaal modieuze schilders voor gevraagd. Ik vind het heel dapper van een kunstenaar als Rembrandt dat hij zo zijn eigen weg gaan is gegaan. Maar hij is wel failliet gegaan en het heeft hem ook een hele hoop ellende gebracht.’

 

'Leonardo da Vinci begon bij Graaf Forza, want die had de meeste centen van Milaan. Later ging hij naar Rome toen je die pausen kreeg die met geld gingen smijten. Ook in Florence was er welvaart in de tijd dat de Renaissance er opkwam. Pas als er welvaart is kunnen mensen kunst kopen en ervan genieten. Dat is heel logisch, maar helemaal verklaren kun je het niet.’

Dezelfde taal als mijn klanten

De kunsthandelaar houdt veel van Hollandse oude meesters en loopt veel naar het Rijksmuseum, heeft hij nooit in 17de-eeuwse meesters willen handelen. Brons: ‘Ik durf dat niet, want ik heb daar te weinig kennis van. Wat ervan in de handel is, is allemaal tweede en derderangs. En als je dan iets eersterangs hebt, dan kost dat gelijk zestig miljoen en daar blijf je dan soms mee zitten. Zo’n bedrag moet je financieren en als je dat tegen vier procent gaat lenen, dan kost je dat een vermogen, tonnen per jaar. Ik vind het geen punt om iets van zes ton te kopen, maar iets van tientallen miljoen vind ik wel heel erg dapper. Ik beheers de wereldmarkt niet, maar alleen een kleine markt met Nederlandse figuratieve kunst van  Willink, Schuhmacher, Koch, Hynckes en Ket en dergelijke. Die markt ken ik. Ik heb een kleine groep van klanten om me heen verzameld van wie ik vaak al weet wat ik eraan ga verkopen als ze de beurs bezoeken. Vaak nog voor ze het zelf weten. Zo’n dertig klanten noem ik ook wel mijn ‘miljonairs’, de mensen die miljoen of meer bij me gespendeerd hebben. Met mijn klanten spreek ik dezelfde taal.’

 

Op de beurs verkoopt de kunsthandelaar zo’n tachtig procent aan bestaande klanten. Daarnaast zijn er ook altijd twee of drie nieuwe klanten die ook gaan verzamelen. Voor die laatste groep zit hij op de beurs, want er vallen er ook altijd een paar af. ‘Mensen die dood gaan of mensen die al hun wanden vol hebben met schilderijen van mij, vaak ook in hun tweede en derde huis.’ Brons is gefascineerd in het verschijnsel dat als ergens geld is er dan ook kunst is. ‘Waar geld is, verzamelt zich kunst, heb ik eens in een lezing gezegd. In de Hollandse Gouden Eeuw hebben wij onze belangrijkste kunstenaars gehad, omdat er toen welvaart was. Leonardo da Vinci begon bij Graaf Forza, want die had de meeste centen van Milaan. Later ging hij naar Rome toen je die pausen kreeg die met geld gingen smijten. Ook in Florence was er welvaart in de tijd dat de Renaissance er opkwam. Pas als er welvaart is kunnen mensen kunst kopen en ervan genieten. Dat is heel logisch, maar helemaal verklaren kun je het niet.’

 

Toen Boonstra nog bij Sara Lee zat, kwam hij regelmatig bij mij kopen en Joop van den Ende heeft kort geleden nog voor zijn nieuwe restaurant Le Cirque, dat hij met Robert Kranenborg in Scheveningen drijft, een circustafereel gekocht van Kees van Dongen.

Overhemden verkopen

Feitelijk vindt Brons kunst verhandelen hetzelfde als textiel verkopen. Het gaat erom mensen iets moois te verkopen, waarvan hij zelf vindt dat het mooi is. En dat zit hem volgens de kunsthandelaar niet altijd in hele hoge bedragen: ‘Het gaat mij om het dienstbaar zijn. Het is geen kunst om de goedkoopste te zijn, maar wel om het te blijven, omdat de mensen dan steeds terugkomen. Daar profiteert Zeeman nog steeds van. Dat is nog steeds een geweldig bedrijf waar goede winsten gemaakt worden. Voor herenoverhemden had ik indertijd een tiende deel van de markt. Wat we deden was agenten in Hong Kong vragen op zoek te gaan naar grote partijen stoffen van vorig jaar. Het ging ons niet om de laatste modegril. We kochten dan die grote partijen in en gingen daarmee naar fabrikanten die straten, dat wil zeggen lopende banden, over hadden. Op die lege straten lieten we de overhemden dan niet maken voor de gebruikelijke 1,50 dollar, maar voor de helft. Dat waren goeie overhemden met stijve boorden en die verkocht ik dan voor één en dezelfde prijs: tien gulden per overhemd. Dat is nu tien euro bij Zeeman. Nu verkoop ik schilderijen voor een paar ton en daar heb je een bepaald overwicht voor nodig. Maar ook hier is het dienstbaar zijn. Met Jaap Blokker kan ik een half uur over zijn zaken praten, omdat ik zelf ook een enorme zakenervaring heb. Ik ben een beetje ouder dan hij en hij heeft mij indertijd gerespecteerd als zakenman. Toen Boonstra nog bij Sara Lee zat, kwam hij regelmatig bij mij kopen en Joop van den Ende heeft kort geleden nog voor zijn nieuwe restaurant Le Cirque, dat hij met Robert Kranenborg in Scheveningen drijft, een circustafereel gekocht van Kees van Dongen. Dat is de club die ik heb: zakenmensen die altijd moeten handelen en die het een sport vinden om er het maximale uit te halen. Dat vind ik zelf ook leuk. Als ik een schilderij te koop heb voor twee ton dan kijk ik niet naar de mensen die dan zeggen dat ze het er graag voor overhadden als ze het geld hadden. Ik luister wel naar mensen die zeggen dat het voor de helft moet. Die mensen neem ik heel serieus, want die hebben een ton in hun zak. Dan moet ik de rest er zien uit te peuteren. Mensen die niet voor de prijs vechten die geloof ik niet. Het gaat om het spel. Uiteindelijk gaat het mij om de tien à vijftien procent die ik op een schilderij verdien. En dan krijgen mensen er een koek van Loek gratis bij.’

 

Eerlijk, helder, Helmantel

Loek Brons staat bekend om zijn onorthodoxe optreden op beurzen, ook als het gaat om het werk van Helmantel: ‘Toen ik de slogan Eerlijk Helder Helmantel voerde op de Tefaf kwam de hoogste baas van Heineken, Anthony Ruys, lachend mijn stand binnen. Hij is al jaren klant van mij en toen ik hem lachend vroeg of ie me nu een proces aan de broek zou doen, zei hij: “Dat zou je wel willen hè?!” Hij vond het prachtig, allemaal reclame voor Heineken, zei die.’ Brons heeft een duidelijke filosofie als het gaat over prijzen. Soms moet je stunten met je handel en altijd zet je de prijzen erbij: ‘Ik heb altijd gezegd: “Ik heb heel veel onderbroeken verkocht en zette daar altijd een prijskaartje bij.” Ooit heb ik eens twee litho’s voor de prijs van één verkocht en dat blijft dan altijd maar aan je kleven. Ook de prijzen afbeelden bij de schilderijen kon niet. Nu is het zover dat Tefaf aan zijn standhouders vraagt om de prijs erbij te zetten als service aan de klanten. Zeker bij een opening van een Tefaf lopen er duizenden mensen rond die allemaal benieuwd zijn naar wat het kost.’ Brons heeft de Groningse fijnschilder Henk Helmantel bij een groot publiek bekend gemaakt. Het lijkt wel dat iedereen inmiddels zijn stillevens kent.

 

'Soms moet je stunten met je handel en altijd zet je de prijzen erbij: ‘Ik heb altijd gezegd: “Ik heb heel veel onderbroeken verkocht en zette daar altijd een prijskaartje bij.'

Toch is Helmantel niet gebonden aan de Amsterdamse kunsthandelaar. Brons: ‘Helmantel is een groot kunstenaar en een groot koopman die zich aan niemand bindt. Elke zomer komen er zo’n vijf- à zeshonderd mensen per week bij hem over de vloer. Daar zitten er altijd wel drie of vier bij die centen hebben en die heeft hij direct in de gaten. Die pikt ie er zo uit en laat ze zijn atelier zien en vraagt ze dan wat ze ongeveer in gedachten zouden hebben. Dat schrijft ie dan op en bergt dat op in een schoenendoos. Ik zeg altijd tegen hem: “Henk, de Here heeft jou twee talenten gegeven en ik weet nog steeds niet welke de grootste is.” Helmantel laat mij ook behoorlijk veel betalen. Dat is de grote moeilijkheid voor mij. Mensen moeten soms bij mij meer betalen dan bij hem terwijl ik veel reclame voor hem maak. Ik kom op twee beurzen, op de Tefaf en de PAN. Op die eerste komen 70.000 mensen en dat is niet alleen Jan met de pet. Daar zijn veel mensen bij die iets kunnen kopen als ze het mooi vinden. Niet voor niks draai ik de helft van mijn omzet op die beurs. Op de laatste Tefaf heb ik 32 schilderijen verkocht in die elf dagen. Helmantel schuift daar gewoon bij aan, terwijl het mij – alles bij elkaar – 80.000 euro kost. Henk neemt een vijfde van mijn wand in beslag dus moet hij bijna 17.000 opbrengen om uit de kosten te komen.’

 

Altijd maar handel

Eén van de schilderijen die Brons verkoopt is Lezend Jongetje van Jan Mankes. Een nieuw, modern museum met Friese kunst in het Oranjewoud bij Herenveen wilde het volgens de Amsterdamse handelaar kopen. Brons: ‘Ze wilden het hebben voor de opening die door de koningin zal gebeuren, maar ze vonden het te duur, maar bleven wel nadenken en proberen de gelden bij elkaar te krijgen. In de tussentijd was er in juni een veiling bij Christie’s met twee werken van Mankes die voor 465.000 en 400.000 euro zijn verkocht. Toen heb ik de mensen van het museum direct opgebeld en gezegd dat ze het nog konden kopen voor 195.000 euro, maar dat het de week erna 245.000 euro zou zijn. Een eerlijk verhaal.’ Volgens Brons wordt de prijs van kunst door de markt gemaakt: ‘Ik maak geen kunstenaars, dat doen mijn klanten. Als iets niet verkoopt dan gaat het werk er ook uit.’ Alles wat er bij Kunsthandel Drs Loek Brons hangt heeft hij eerst zelf gekocht. Brons: ‘Dan ben ik heer en meester over de prijs die ik vervolgens aan mijn klanten vraag. Bij consignatie krijg je alleen maar een hoop gezeur met de kunstenaar. Ik ben een handelaar, mijn risico is dat ik het werk niet verkoop.’ Volgens de Amsterdamse koopman hebben de kunstenaar en de handel elkaar nodig: ‘Rond 1900 liepen er misschien wel tien kunstenaars rond met de kwaliteit van Picasso. Maar ik ben ervan overtuigd dat het feit dat Picasso zich zou associëren met handelaren als Daniel-Henry Kahnweiler en Ambroise Vollard hem ook mede heeft gemaakt wie hij nu is. Helmantel is van belang voor mij, maar ik ook voor hem. Goede kunstenaars blijken steeds ook goede kunsthandelaren te hebben. Ik heb ook een Helmantel eruit gepikt, zoals een Kahnweiler en Vollard en Picasso eruit hebben gepikt.’

 

Toen ben ik naar mijn collega Tom Okker gegaan en vroeg hem: “Tom, wat doe jij met die catalogussen? Mag ik er vijf van je kopen?” “Kopen?” zei die dan, “Je mag ze zo van me hebben”. “Nee”, zei ik dan: “Ik sta ze zelf voor tien euro te verkopen en ik wil je daar later niet over horen.” Toen zei die: “Neem ze dan alle tien maar mee”.

Brons laat er geen twijfel over bestaan dat hij vooral een handelaar is: ‘Die kalenders van Helmantel bijvoorbeeld zijn een verschrikkelijk gewild artikel. Helmantel verkoopt ze zelf voor 22 euro. De Tefaf is in maart en dan heb ik dus de overschotten en die koop ik dan voor een rotprijs en die verkoop ze dan voor tien euro op de beurs. Dan verdien ik er nog dik aan.’ Een ander voorbeeld: op de laatste dag van de Tefaf kregen alle standhouders tien catalogussen die over waren en die ze toch niet meer zouden verkopen. Brons: ‘Die ben ik dus gaan verkopen voor tien euro terwijl ze bij de ingang nog werden verkocht voor zeventien euro. “Alleen vandaag bij Loek Brons een catalogus voor tien euro”, schreef ik er dan bij. En die was ik in tien minuten kwijt. Toen ben ik naar mijn collega Tom Okker gegaan en vroeg hem: “Tom, wat doe jij met die dingen? Mag ik er vijf van je kopen?” “Kopen?” zei die dan, “Je mag ze zo van me hebben”. “Nee”, zei ik dan: “Ik sta ze zelf voor tien euro te verkopen en ik wil je daar later niet over horen.” Toen zei die: “Neem ze dan alle tien maar mee”. Toen ben ik wat andere collega’s gaan aflopen en had ik een flinke stapel catalogussen. Daarmee hadden mijn twee assistentes, studenten kunstgeschiedenis, zichzelf terugverdiend. Immers, ik betaalde ieder voor een catalogus vijf euro. Dat past bij mij, er moet reuring in de tent zijn, beweging. Er moeten mensen geld lopen te trekken en mensen moeten denken: hier is iets aan de hand!’     

 

bottom of page