VanAbbe_nieuwbouw.jpg

Als directeur van het Eindhovense Van Abbemuseum heeft hij het museum sinds 2004 internationaler gemaakt en heeft hij sociaal-maatschappelijk engagement teruggebracht in het museum. Hoe is hij als punkmuziekliefhebber bij de kunst gekomen? Wat brengt kunst hem en wat heeft kunst óns te bieden in deze tijd? 

Kunst zorgt niet voor praktische veranderingen, maar zonder kunst geen praktische veranderingen

Charles Esche (1962), directeur van Abbemuseum

csm_Charles_Esche_39e2dbd7ca.jpg
T01772_10.jpg

Interview: Koos de Wilt voor Wijzer

Wanneer is uw belangstelling voor kunst begonnen?

‘Mijn eerste kunstervaring was in The Tate in Londen. Ik was tien jaar en vanuit school in Manchester bezochten we het museum. Ik zag een schilderij van Ronald Kitaj van een blauwe kat met een mensengezicht. Dat was dus helemaal ‘verkeerd’, en dat trof me. Een schilderij bleek iets heel anders te kunnen zeggen dan wat je normaal om je heen ziet. Met kunst kon je dus een heel ander verhaal vertellen, een eigen wereld creëren! Ik dacht: als die schilder dat kan, dan kan ik zelf ook dingen bedenken. Maar het was pas vanaf mijn midden twintig dat ik de galeries en musea begon te ontdekken. Ik ben steeds meer aangetrokken door de bijzondere verbeeldingskracht en capaciteiten van de mensen die ervoor hebben gekozen zichzelf kunstenaars te noemen. Die verbeeldingskracht kon ik eigenlijk nergens anders vinden. Niet in de Middeleeuwen die ik bestudeerde en zelfs niet in muziek waar ik binnen de punkbeweging nauw betrokken was. Met kunst kun je de wereld beter begrijpen en ook herscheppen en aanpassen aan je eigen begrip. Het gaf mij – in het Engels – een ‘agency’, het vermogen te kunnen zeggen: ‘I can’. Ik kan iets, ik heb het vermogen iets te doen.’

'Thatcher zei ooit eens: ‘Er is geen maatschappij, er zijn alleen individuen en gezinnen.’ Ik vind dat een vreselijke gedachte.'

Bent u geboren in een cultureel nest?

‘Geenszins. Mijn ouders hadden niks met kunst. Zij waren als communistische vluchtelingen uit de DDR naar Engeland gevlucht. Daar ben ik geboren. Elke zomer gingen we naar familieleden in de DDR, de ultieme vijand in de beeldvorming tijdens de koude oorlog. Een vreemde spagaat, omdat ik mijn grootmoeder toch onmogelijk als vijand kon zien. Ik denk dat die confrontatie tussen de twee politieke systemen en idealen mij sterk heeft gevormd. Ik leerde kijken met twee ogen en daardoor ben ik perspectief gaan zien in dingen. Politiek heeft me altijd bezig gehouden. Als je om je heen kijkt, zie je hoe onrechtvaardig veel dingen zijn. Als je dat constateert kun je óf je eigen situatie verbeteren óf proberen die voor je omgeving te verbeteren. Ik ging voor dat laatste. Ik geloof dat we beter samen dingen kunnen doen dan alleen. Thatcher zei ooit eens: ‘Er is geen maatschappij, er zijn alleen individuen en gezinnen.’ Ik vind dat een vreselijke gedachte. Ik geloof echt in de maatschappij, in gezamenlijke doelen. Maar daar zijn we steeds minder in gaan geloven. We zijn mensen gaan zien als consumenten. Dat is het einde van de humaniteit. Om daar iets aan te doen, was ik in de jaren tachtig politiek actief geworden in de Labourpartij, maar ik liep aan tegen een strenge partijdiscipline die geen ruimte gaf aan afwijkende denkbeelden. Daarom stapte ik over naar de kunstwereld, waar wel ruimte was voor verbeeldingskrac