IMG_2778.jpeg
d3ad87_a6817b4c536248bd9f6d7ed54169d1b7_mv2_edited.png

Ilse Daatselaar (1980), kunsthandelaar Daatselaar Fine Art & Antiques

 

‘Als ik iets moois zie, wil ik het hebben, net zoals mijn vader dat had.’ 

Een generalistische kunsthandel van het oude stempel, zo lijkt het, met oude meester schilderijen, achttiende- en vroeg negentiende-eeuwse meubelen, porselein, Delfts aardewerk, sculpturen, klokken en zilverwerk. Toch kiest Ilse Daatselaar, bekend van het televisieprogramma Van onschatbare waarde, juist voor moderne positionering. In het Rijksmuseum een gesprek met de kunsthandelaar over het vak.

 

Tekst & beeld van Koos de Wilt voor Collect

 

Ilse Daatselaar loopt door stemmig verlichte zalen van het Rijksmuseum met kunst en antiek uit de achttiende en negentiende eeuw. Schilderijen, kasten, vazen, sculpturen en klokken. Juist omdat kunst en gebruiksvoorwerpen tegenwoordig zo vermengd zijn in het museum, voelt de kunsthandelaar er zich buitengewoon thuis. Daatselaar: ‘Tussen deze objecten lopen is als een cadeau, dat je die schoonheid van die tijd nog kunt ervaren. Wat hier hangt is natuurlijk top, maar ook wat je op de TEFAF vindt, is ook van de hoogste kwaliteit. En ook daar zie je ook alles door elkaar, net als hier. Op onze nieuwe vestiging aan het Oudkerhof in Utrecht wil ik de ruimte ook zo inrichten dat mensen eenzelfde ervaring hebben. Maar ook een mix maken met het moderne interieur. Juist om te laten zien hoe goed antiek in het hedendaagse interieur past.  

Ilse Daatselaar stopt bij een kabinet dat is toegeschreven aan Jan van Mekeren, de belangrijkste Amsterdamse kastenmaker van de late zeventiende eeuw.

Toen Ilse Daatselaar achttien was, had ze een bijbaantje bij de kunsthandel die haar vader Theo Daatselaar met Ronald Godhelp had op de Korte Jansstraat in Utrecht. ‘Ik woonde toen net op kamers boven de zaak. Als 18-jarige luisterde ik natuurlijk helemaal niet naar mijn vader met zijn lange ervaring. En in de kunsthandel werken? Dat nooit, dacht ik. Maar uiteindelijk ben ik er toch in terecht gekomen. Het is verslavend. Als ik iets moois zie, wil ik het hebben, net zoals mijn vader dat had. Ik ben ermee opgegroeid en thuis ging het eigenlijk altijd over de zaak. Dat is nu bij mij thuis eigenlijk precies hetzelfde. Mijn vader is afgelopen jaar, niet lang na de TEFAF, overleden en dat is een heel groot gemis. Maar ik ben ontzettend trots dat hij mijn vader is en ik zal in zijn gedachtengoed doorgaan met dit mooie vak. Hij heeft mij zo ontzettend veel geleerd. Niet alleen kennis, maar ook integer handelen en dicht bij jezelf blijven.  Mijn vader en ik hadden wel wat andere ideeën, maar waren uiteindelijk toch twee handen op een buik. Bij de inkoop hadden we allebei een vetorecht en mijn vader moest ik weleens temperen als hij weer eens viel voor een klok in een collectie. In het begin wilde ik wel wat meer specialiseren op schilderijen, maar ik kon het ook niet laten een commode mee te nemen als we weer eens een particuliere collectie gingen bekijken. Het is ook zo dat voor mij bij kunst alles met alles te maken heeft. De meubelen, het glaswerk, het porselein, het zilverwerk en de schilderijen horen bij elkaar. Kiezen is moeilijk en gelukkig hoeft dat als generalist niet.’

 

Bloemenmarqueterie

In de enorme Koning-stadhouder Willem III en Mary Stuart zaal in het Rijksmuseum staan Delfts aardewerk, schilderijen en kasten allemaal door elkaar heen. Ilse Daatselaar stopt bij een kabinet dat is toegeschreven aan Jan van Mekeren, de belangrijkste Amsterdamse kastenmaker van de late zeventiende eeuw. ‘Ongelofelijk dat meubelen zo worden ondergewaardeerd als je ze vergelijkt met wat er voor schilderijen wordt betaald. Deze kast kun je met de kennis van vandaag nooit meer namaken. Het materiaal en het vakmanschap is er simpelweg niet meer. Dit is wat we een bloemenmarqueterie noemen, helemaal met de hand ingelegd met exotische houtsoorten. In Frankrijk werden kasten als deze gesigneerd, dat deed men hier bijna nooit. Raar toch, hier is echt een kunstenaar van de allerhoogste soort aan het werk geweest. Gelukkig is het wel zo dat als dit op de PAN of TEFAF zou komen het nog de waarde heeft die het verdient.

Bij een portret van de Indonesische kunstenaar Raden Saleh vertelt Daatselaar dat er soms jaren overheen gaat voor er sprake is van een deal.

Veel klanten die iets te verkopen hadden, wisten kunsthandel Daatselaar & Goldhelp vanaf eind jaren zeventig al te vinden in het centrum van Utrecht. Op de hoek van de oude zaak waar haar vader in 1978 begonnen is, opent Ilse Daatselaar de nieuwe locatie, op het Oudkerkhof in Utrecht. Waarom hier in deze chique shopping straat? ‘Ik denk dat mensen gewoon weer zin hebben ergens naar toe te gaan om iets te kopen. Juist na de coronacrisis. Ik wil regelmatig alles omgooien waardoor het iedere keer een unieke belevenis wordt voor de klanten en de zaak een soort stand is zoals mensen die kennen van de TEFAF en de PAN.’

 

Andere koper

Waar Theo Daatselaar vroeger op de beurs in Delft soms een paar uur lang ging lunchen met een klant die over een object wilde praten, gaat het tegenwoordig sneller en zijn klanten minder geïnteresseerd in het kunsthistorische en technische verhaal. Ilse: ‘Natuurlijk moet je ervoor zorgen dat dat op orde is, maar het gaat tegenwoordig vooral om het unieke stuk, een stuk met een verhaal. De herkomst wordt ook steeds belangrijker. Vorig jaar hadden we bijvoorbeeld een werk van Kees van Dongen “Portrait of a Lady” in onze collectie. Ik had op een verloren zondag online een foto gevonden van Van Dongen in zijn atelier waar hij voor ons betreffende portret staat en zich dus voor het portret heeft laten fotograferen. Daarmee kun je het verhaal van het werk completer maken. Zo weet je dan bijvoorbeeld in welk atelier van Van Dongen het portret zich bevond en dus ook in welk jaar. Maar ook dat de kunstenaar kennelijk zelf erg tevreden over het portret moet zijn geweest om zich erbij te laten fotograferen. Dat is toch mooi.’  

 

‘Wij hebben zo’n zelfde beeld van Frans Stracké verkocht op de TEFAF. De vrouw was net moeder geworden en haar man kocht het voor haar. Schattig toch?’

Als het aan Daatselaar ligt zou de kunst- en antiekmarkt wel wat van haar oubollige status afscheid mogen nemen. ‘Ik geloof dat antiek anders gepositioneerd moet worden, misschien moet het zelfs een andere naam krijgen. De oude verzamelaars zijn er minder, de koper is anders geworden. Thuis heb ik helemaal niet veel antiek, maar wel een achttiende-eeuws kabinet. Ik heb zelf ook een antieke spiegel met modern beeld. Juist de mix geeft een interieur karakter. Vrienden van mij van begin dertig hebben één meubelstuk gekocht voor hun interieur. Die kopen normaal gesproken geen antiek, weten ook niet veel van kunstgeschiedenis, maar willen wel een geweldig stuk met een verhaal. De top is misschien voor veel jongeren nog te duur, maar de middenmarkt is heel goed te doen en van een kwaliteit die IKEA ver te boven gaat.’ 

 

‘Van Breitner en zijn collega’s hebben we regelmatig schilderijen verkocht aan particulieren en musea. We hebben nu schilderij van de Nieuwe Brug met daarachter het Damrak in Amsterdam.’

Ilse Daatselaar gelooft dat ook kunsthandelaren wel wat beter naar hun markt kunnen kijken. Ze richten zich ook niet altijd op het juiste publiek, zelfs op de beurzen niet. De gemiddelde IT’er ziet er niet uit als de traditionele antiekkoper, maar is zeker in voor een mooi object. Ook de manier waarop de handel werkt is veranderd. Ik verkoop ook steeds meer online. Die klanten durven dat aan omdat je reputatie als kunsthandelaar in orde is. Op de onlinebeurs van TEFAF heb ik een grote rococo spiegel verkocht, dus zonder dat de klanten het gezien hadden.’ 

 

Raden Saleh 

Op de zaal met negentiende-eeuwse objecten loopt Ilse rondom in een glazen vitrine met een eind negentiende-eeuws terracotta van Frans Stracké. Een vissersvrouw met haar kind en in haar armen ook een hondje met een puppy. Twee moeders heet het. Ilse: ‘Wij hebben zo’n zelfde beeld verkocht op de TEFAF. De vrouw was net moeder geworden en haar man kocht het voor haar. Schattig toch?’ In dezelfde zaal hangen schilderijen van Isaac Israëls, Jongkind, Mesdag en Breitner. Ze stopt bij Breitner schilderij De Singelbrug bij de Paleisstraat in Amsterdam van 1898. ‘Wij hebben regelmatig schilderijen verkocht aan particulieren en musea van deze schilders. We hebben nu schilderij van de Nieuwe Brug met daarachter het Damrak in Amsterdam.’ Op de afdeling Nederland overzee loopt Ilse Daatselaar langs een portret van de Indonesische kunstenaar Raden Saleh. Ze vertelt dat in de kunsthandel het niet om de snelle handel gaat en er soms jaren overheen gaat voor er sprake is van een deal. En dan met name ook aan de inkoop kant. ‘Ik weet dat mijn vader al zo’n tien jaar als hij een goede bekende zag, waarvan hij wist dat hij een prachtige Raden Saleh in bezit had, vroeg of hij zijn Saleh al wilde verkopen. Op een gegeven moment zagen wij hem weer op een beurs aan komen lopen en mijn vader zei tegen mij dat hij dit jaar maar eens niet over de Raden Saleh zou gaan beginnen. En juist op dat moment vertelde die verzamelaar: “Theo, ik ben er klaar voor”. Mijn vader is toen gelijk van de beurs gelopen om dat schilderij op te halen Uiteindelijk hebben we dat schilderij verkocht aan een Indonesische verzamelaar die het een tijd aan een Indonesisch museum heeft uitgeleend.’ Prachtig dat het werk op zo’n goeie plek terecht is gekomen.