‘Als je uit je cultuur stapt,

kun je niks verbeteren’

Advocate Familie Arslan in het managementboek De weg naar succes

In 2009 interviewde Koos de Wilt voor het boek De weg naar succes 18 allochtone vrouwen op hun weg naar succes. Daarnaast had hij gesprekken met vier prominente Nederlanders over hun ervaringen met deze vrouwen. Wat zijn hun professionele en levenservaringen? Hier het verhaal van de advocaat Famile Arslan, wiens ouders ooit vanuit Oost-Turkije naar Nederland zijn verhuisd. 

Tekst: Koos de Wilt | Fotografie: Rachel Corner (2010)

 

Vanaf mijn negende jaar heb ik altijd een hoofddoek gedragen. Mijn vader vond het belangrijk dat ik mij kleedde in overeenstemming met de culturele normen. Lange mouwen, rokken onder knieën en een hoofddoek. Het haar hoefde niet bedekt te zijn. Mijn haar komt tot mijn knieën, dus ik bedekte mijn hoofd wel maar mijn haar nauwelijks. Toen ik een jaar of zestien was, kwam ik voor de vraag te staan: wat wil ik eigenlijk zelf? Ik realiseerde mij dat de hoofddoek in het oosten een gevolg was van de macho male culture daar. In Nederland stond ik voor de vraag: ben ik nu oosters, Turks, ben ik Nederlands of beide? Ik heb toen besloten om de hoofddoek om te houden, maar ‘m anders te gaan dragen, tot spijt van veel familieleden. Ik ben ook gaan bidden en gaan vasten wat ook ongebruikelijk was voor een meisje. Ik ben een colletje gaan dragen, heb mijn haar opgestoken en ben mijn haar gaan bedekken aan de voorkant. Sindsdien draag ik het zo. Ik heb altijd de keuze de doek af te doen. Kort geleden kwam een meisje naar mij toe wat ik ervan vond dat ze besloten had de doek af te doen. Ze vond dat het geen toegevoegde waarde meer had. Ik zei toen: dan doe je dat toch gewoon… Ik steun haar in haar eigen keuze.

 

‘Voor mij is de hoofddoek ook een soort merk geworden. Ik sta bekend als de advocaat met de hoofddoek.

 

Voor mij is de hoofddoek ook een soort merk geworden. Ik sta bekend als de advocaat met de hoofddoek. Als ik ‘m af zou doen zullen heel veel mensen mij niet meer geloofwaardig achten. Maar ik draag mijn hoofddoek niet voor mensen maar als een vorm van aanbidding voor Allah. Als wij sterven zullen we hierover bevraagd worden. Hoe heb je geleefd als mens, als moslim en als vrouw. Ik realiseer me ook dat vragen over of we kledingvoorschriften en spijswetten hebben nageleefd van een andere orde zijn dan of we ons rechtvaardig hebben gedragen en vooral: of we hebben gebeden. In de Koran staat: ‘Ik zal u niet beoordelen op basis van uw bezittingen en rijkdom, maar op basis van uw hart, uw geweten en uw daden.’ Ik vind: als je besloten hebt te geloven in een opperwezen, dan wil je laten merken dat je gelooft en dat je hem aanbidt. Een van de vormen is de wijze van kleden. Ik ben geboren in een afgelegen hut als het eerste kind, “slechts” ”een meisje. Mijn vader werkte toen al in Europa en mijn moeder had een hersenbloeding gehad en was niet in staat mij te voeden. Niemand ging naar de grote stad om babyvoeding te halen voor mij, dus vrouwen in de omgeving, die ook een kind hadden gekregen, hebben mij gezogen. Om de beurt met hun eigen kind mocht ik dan vijf á tien minuten drinken. Tot ik zes maanden was en ik met melk en thee verder gevoed werd.

 

‘Voor mij was het een kans uit honderdduizenden. Niets mocht op mijn pad komen. Dit was de enige kans.’

Mensen die niet gelovig zijn, zullen zeggen: mooi verhaal. Maar voor mij voelt het aan dat Allah blijkbaar iets anders met mij van plan was. Ik ben in leven gehouden door de barmhartigheid van die vrouwen. Nu ben ik in de positie geraakt dat ik andere mensen, ook financieel, kan helpen. Ik heb ook schoonheden die niet te koop zijn, zoals kennis en de mogelijkheid die over te dragen. Ik heb besloten dingen van binnenuit te verbeteren. Het is makkelijker om eruit te stappen, net zoals conformeren dat is. Maar als je eruit stapt heb je geen gelegenheid het te verbeteren.

 

Ik was vier toen ik in Nederland aankwam. Op de lagere school kreeg ik het advies een vervolgopleiding te doen waarmee je huisvrouw werd. Mijn vader was daar heel teleurgesteld over en zei: ‘Zij is een intelligent kind, waarom doen jullie haar dit aan?’ De onderwijzer antwoordde toen dat wij allochtoon waren en we uiteindelijk toch terug zouden gaan. Wat had ik dan aan MAVO? Als ik inderdaad terug zou zijn gegaan, dan was de kans dat ik een intellectueel kon worden nihil geweest. Als ik Turkije was gebleven dan zou ik zelfs analfabeet zijn gebleven. Ik ben vervolgens een jaartje thuis geweest. Daar heb ik toen ook leren strijken. Mijn moeder was bedlegerig, er waren twee kleine kinderen en mijn vader en een oom woonden bij ons. Na dat jaar sloegen bij mij de knoppen door: dit nooit meer. Dit leventje wil ik niet. Ik heb toen afspraken met mijn vader gemaakt. Ik heb gezegd: ik wil advocaat worden. Iedereen zei toen: dat lukt je toch niet. Maar mijn vader zei: ‘Als jij zo graag rechten wilt studeren, ga je gang’. Ik heb toen de directeur zo gek gekregen dat hij mij op de MAVO plaatste op die voorwaarde dat, als het mij niet zou lukken de eerste maanden, ik dan toch naar de huishoudschool moest. Dat is niet gebeurd. Ik heb de MAVO gedaan, de HAVO, een jaartje HBO en toen ben ik doorgestroomd naar de universiteit. Daar heb ik in vierenhalf jaar mijn opleiding afgemaakt. Toen ben ik gaan werken voor Justitie en daarna ben ik advocaat geworden.

 

‘Voor mij was dit een kans uit honderdduizenden. Niets mocht op mijn pad komen.’

Het is moeilijk als je er niet voor honderd procent achter staat. Maar voor mij was het een kans uit honderdduizenden. Niets mocht op mijn pad komen. Dit was de enige kans. Ik had het meegemaakt om huisvrouw te zijn en dat wilde ik perse niet. Meiden die ik van vroeger ken, zijn inmiddels uitgehuwelijkt. Sommigen zijn inmiddels weer gescheiden omdat hun partner niet goed voor hen zorgde. Ik heb een heel ander leven. Een van mijn vriendinnen uit die tijd is, net als ik, 36 en heeft nu een dochter die vorig jaar is getrouwd. Z