IMG_7628.jpeg
IMG_7629.jpeg
COLLECT.png

Ad van den Bruinhorst, kunsthandelaar en expert Nederlands Design uit het interbellum

‘Mooie spullen met een verhaal’

 

‘Ik word er blij van als dingen mooi zijn vormgegeven,’ zegt Ad van den Bruinhorst in zijn galerie in het centrum van Kampen. ‘Mooi vormgegeven dingen werken ook meestal beter, is mijn ervaring. Er is dan extra aandacht aan besteed en niet goedkoop in de markt gezet. Ik heb gewacht met het kopen van een nieuwe bestelbus tot er een mooi model op de markt kwam. Ook hou ik van spullen met een verhaal. Als puber viel ik voor een fiets van een oom die in de oorlog in een hooiberg was verstopt.’

Tekst &  beelden van Koos de Wilt voor COLLECT

 

Van den Bruinhorst verkoopt en restaureert verzamelwaardige en museale design- en kunstobjecten uit de twintigste eeuw met als specialisme modernistisch design uit het interbellum. Regelmatig verkoopt hij aan nationale en internationale musea. Met zijn dochter Corneel, die is afgestudeerd als kunsthistoricus en genderstudies en nu werkt in Chicago, doet hij niet alleen de beurzen maar ook onderzoek en restauratie. Zelf deed vader Van den Bruinhorst de kunstacademie in Kampen en is hier blijven hangen. ‘Als student had ik hier al wat panden aangekocht en was die gaan verhuren. Na mijn studie was het kiezen tussen de BKR-regeling of een uitkering of verder gaan met mijn panden. En dat laatste ben ik gaan doen. Het begon met handel in Amerikaans design van Ray en Charles Eames en George Nelson en met Deens en Nederlands design uit het interbellum. Steeds van hoge kwaliteit.’

 

‘Schoonheid zou als vanzelf tevoorschijn komen met de functionaliteit, was daarbij de gedachte.’

Tussen de bedrijven door doet Van den Bruinhorst veel onderzoek en restaureert hij. Wat voegt dat eigenlijk toe? ‘Zeker als je het al zo lang doet, ga je kijken als de ontwerpers. Je gaat een onderbuikgevoel ontwikkelen en vragen stellen bij het bekende verhaal dat wordt verteld. Je gaat de kleine dingen herkennen die de ontwerpers als overtuiging hebben toegevoegd en hoe ze daar vervolgens mee omgingen, ook hoe dogmatisch ze daarbij te werk gingen. Bij deze hanglamp van de fabrikant en ontwerper Willem Hendrik Gispen, de giso 55a uit 1930, zie je het strakke modernisme, maar gaat het ook om de verfijning. Mart Stam was dogmatischer. Liever goed en lelijk, dan mooi en slecht, zou hij zeggen. Schoonheid zou als vanzelf tevoorschijn komen met de functionaliteit, was daarbij de gedachte. Gispen was misschien getalenteerder waardoor hij verder dan de theorie kon gaan. Bij deze Gispenlamp, die in de herensociëteit de Witte hing, zit niets te veel en heeft alles een functie, maar is alles ook sierlijk uitgevoerd. Dit is in zijn tijd al een dure lamp geweest. Nu is de lamp 35 duizend waard. De poster erachter doet tegenwoordig zelfs 85 duizend euro. Deze reclameposter laat zien dat Gispen ook in 2D kon ontwerpen waarbij de fotocollage, de kleuren en typografie nog staan als een huis.’

 

‘Een Tesla is vormgegeven als een gewone auto terwijl dat functioneel helemaal niet hoeft. Dat is om het publiek niet te veel tegen het hoofd te stoten.’

Leugenachtigheid

Wat Van den Bruinhorst vooral aanspreekt aan het modernistisch design uit het interbellum is de zoektocht naar nieuwe vormen die passen bij de functies en de nieuwe mogelijkheden van produceren. ‘Vaak wordt er ontworpen met de vormen van vroeger, om de markt niet af te stoten. Dat gebeurt nog steeds. Een Tesla is ontworpen alsof er een verbrandingsmotor inzit, maar dat is helemaal niet zo. Het is als een ontwerp van een auto eind negentiende eeuw die was gemaakt met een paardenhoofd, de Horsey Horseless. Dat was ook om het publiek niet te veel tegen het hoofd te stoten. In de tijd van het interbellum werden nog veel industrieel gemaakte objecten vormgegeven alsof ze handgemaakt waren met de stijlen van het verleden. Vooral jonge architecten vonden dat daar een soort leugenachtigheid in zat. Die producten waren ook vaak van slechte kwaliteit. Het was in die tijd dat er twee stromingen ontstonden: aan de ene kant waren er de Arts and Crafts beweging, Art Nouveau en Jugendstil die teruggingen naar de natuur en het ambacht waarbij de makers kunstnijveraars werden genoemd. Aan de andere kant was er het modernisme, waarbij de kunstenaar een ingenieur werd en men met minimale middelen en inspanning een maximale productie wilde maken. Die ontwerpers vonden dat de functie en het industriële maakproces leidend moesten zijn voor de vorm, dan zou de schoonheid vanzelf ontstaan en zouden er goedkope verantwoord vormgegeven producten gemaakt worden die voor iedereen beschikbaar waren. Vooral na de Eerste Wereldoorlog kreeg die beweging een boost, men wilde echt breken met het verleden.’

‘Bij deze hanglamp Gispen zie je het strakke modernisme, maar gaat het ook om de verfijning.’

 

Ambachtelijkheid

Het interessante van veel modernistische ontwerpen, zo heeft Van den Bruinhorst geleerd, is dat de industrie er nog helemaal niet klaar voor was. ‘In het interbellum was het technisch nog niet mogelijk om de ontwerpen van de modernisten in hoge oplagen machinaal en dus goedkoop te produceren. Ondanks dat de hoogglans verchroomde objecten er vaak industrieel uitzien, waren het veelal nog handgemaakte en dus dure producten’. Recent onderzoek van Van den Bruinhorst heeft uitgewezen dat er rondom dit onderwerp een hoofdstuk aan de design-geschiedenis kan worden toegevoegd. ‘Mijn dochter en ik hebben ontdekt dat er een groep van vijf vooraanstaande Nederlandse architecten hun eerste stalen buismeubels bewust niet van hoogglans verchroomde buizen maakten maar van gestandaardiseerde halffabricaten. Goedkope ruwe materialen die al beschikbaar waren in de industrie, zoals leidingbuizen en koppelstukken. De aanleiding voor dit onderzoek was een niet eerder onderzocht bankje uit de jaren twintig van Piet Zwart dat ik hier in de galerie heb staan, gemaakt van gasbuizen’. ‘Dat de eerste ontwerpen voor buismeubels van Gerrit Rietveld en Mart Stam in leidingbuis uitgevoerd waren was bekend maar de verklaring daarvoor werd gezocht in hun onervarenheid met lassen en buigen. Toen we ontdekten dat Piet Zwart, Sybold van Ravesteyn en Benjamin Merkelbach dit ook deden wierp dat een nieuw licht op dit fenomeen. Ze probeerden met halfabricaten, die al wel geheel machinaal te maken waren, producten te maken die mensen thuis heel eenvoudig in elkaar zouden kunnen zetten. Uiteindelijk is dat precies wat IKEA is gaan doen en wat echt tot goedkope industriële massaproductie heeft geleid. Rietveld heeft tijdens zijn hele oeuvre de machinale maakbaarheid als uitgangspunt genomen en niet het comfort of de schoonheid. Maar de speling van het lot is dat Rietvelds stoelen nooit echt “in productie” zijn genomen maar vrijwel altijd ambachtelijk gemaakt zijn. Of het nu gaat over zijn zigzag-stoeltjes of het late ontwerp waar ik nu onderzoek naar doe, een hoge aluminium stoel, steeds waren het pogingen om iets te ontwerpen dat in grote oplage machinaal te produceren is.’ Van den Bruinhorst wijst naar een stalen Buisframe fauteuil uit 1936. ‘Deze stoel van Sybold van Ravesteyn is een heel ander verhaal, het is speciaal ontworpen voor verzekeringsmaatschappij Tiel-Utrecht en voor aan boord van het koninklijke jacht Piet Hein van toen nog prinses Juliana. Het is sierlijk alsof het gegroeid is. Waar een vroege stoel van Mart Stam uitstraalt dat het een industrieel gemaakte stoel is maar het eigenlijk niet is zie je hier een eerlijkere benadering. Want hoewel het gemaakt is met industrieel materiaal als een buis, druipt de exclusiviteit en ambachtelijkheid ervan af. Geen twijfel mogelijk hier staat geen industrieel product maar een kostbare handgemaakte stoel. Die kost nu 25 duizend euro.’

 

Rijksmuseum

Voor Van den Bruinhorst gaat het vrijwel nooit om alleen de handel. ‘Ik onderhoud graag contacten met verschillende musea waar ik niet alleen stukken aan verkoop voor hun collecties, maar ook meewerk aan de voorbereidingen van tentoonstellingen, soms tot en met het meeschrijven van een aantal hoofdstukken als coauteur van een catalogus en het geven van lezingen op zaal aan toe, zoals bij de tentoonstelling in het museum Boijmans van Beuningen in 2016 waarvan ik de catalogus aan je meegegeven heb.’ 

 

‘Het interessante is dat er een geschiedenis voorafgaat aan waar men normaal gesproken het verhaal van het moderne buismeubel laat beginnen.’

Van den Bruinhorst heeft contacten met diverse grote musea zoals museum Boijmans van Beuningen, Stedelijk museum Schiedam, Haags gemeentemuseum, Stedelijk museum Amsterdam, het Nieuwe Instituut, het Rijksmuseum en het Museum of Fine Arts in Houston. Hoe zijn die contacten ontstaan? ‘Dat is doordat wij door de jaren heen vaak medewerking hebben verleend aan tentoonstellingen rond het thema modernisme. Die medewerking bestaat uit het geven van bruiklenen en het ter beschikking stellen van informatie uit ons eigen onderzoek en fotomateriaal. Ook tussendoor weten de verschillende conservators mij te vinden bij vragen rond modernistische designstukken uit het interbellum die zij in de collectie hebben of aangeboden krijgen. Daaruit is op den duur ook een verkooprelatie ontstaan en zijn wij stukken gaan leveren aan de collecties van deze instituten, vaak voorzien van een ‘factsheet’ met daarin alle resultaten van ons onderzoek naar dit stuk. Vanaf het moment dat het Rijksmuseum besloot om objecten te gaan tonen uit de twintigste eeuw, ben ik gevraagd om mee te denken en te werken bij het zoeken naar geschikte en representatieve stukken uit het interbellum voor deze collectie. Dat begon in 2009/2010 met een vraag naar een Modernistische Passagiers fauteuil uit de Fokker FXII (de Leeuwerik) en FXVIII (de Snip, de Pelikaan). In deze fauteuil met rode bekleding komt de geschiedenis van drie beroemde Nederlandse bedrijven samen: KLM, Fokker en H.P. Mutters & Zoon. Ook wordt met de stoel de pioniersrol van de KLM in de internationale burgerluchtvaart belicht. Mooie spullen met een rijk verhaal dus.’

 

Hoe kom je aan zo’n stoel? ‘Ik heb deze superzeldzame stoel na een tip uit mijn netwerk in München op een veiling kunnen kopen en in 2010 verkocht aan het Rijksmuseum op de kunstbeurs PAN Amsterdam. Daar ontstond nog wat commotie over in de landelijke pers omdat kort daarvoor Wim Pijbes al het gemeld dat hij vond dat het pistool waarmee Folkert van der Graaf Pim Fortuin vermoord had, in de collectie van het Rijksmuseum opgenomen zou moeten worden. Eerst een pistool en nu een vliegtuigstoel, waar was het Rijks mee bezig? Inmiddels is de afdeling twintigste-eeuwse toegepaste kunst een volwaardig en geaccepteerd onderdeel van het Rijksmuseum geworden. Na de vliegtuigstoel verkochten we aan het museum, verspreid over een aantal jaren, een belangrijke modernistische hanglamp, waarvan we er nu eenzelfde aan de MFAH in Houston USA hebben uitgeleend, een bijzonder modulair kastje, een zeldzame buisstoel met experimentele bekleding allen ontworpen door W.H. Gispen en een set zeer vroege buisframe fauteuils ontworpen door Marcel Breuer.’