Anton_Zijderveld_-_2012.jpg

[cv]

Anton C. Zijderveld is op 21 november 1937 geboren in Malang (Indonesië). Hij deed gymnasium alfa, studeerde theologie (zonder kerkelijk examen) in Utrecht en sociologie in Utrecht en de Verenigde Staten (assistent van Peter L. Berger). Hij promoveerde in 1966 in Leiden. Zijderveld was in de jaren zestig en zeventig Assistant Professor of Sociology in New York, Associate Professor of Sociology in Montreal en gewoon hoogleraar sociologie in Tilburg. Van 1985 tot december 2002 was hij verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Daarnaast is hij gasthoogleraar geweest in Montreal, Osaka en München. Zijderveld heeft een achttiental boeken in Engels en Nederlands op zijn naam staan, met vertalingen in Japans, Duits en Turks. Hij is sinds 1990 tweewekelijks columnist in Het Financieele Dagblad in het kunst- en cultuurkatern 'Persoonlijk' en heeft diverse bestuursfuncties, plaatselijk en landelijk, waaronder voorzitter van de Rotterdamse Kunststichting (eind jaren 1980) en lid van de laatste Raad voor de Kunst als voorzitter van de afdeling Amateurkunst en Kunsteducatie. Zijderveld is amateur-pianist en cellist. Hij is getrouwd met Angelika E. Dissmann met wie hij vier kinderen heeft en twee kleinkinderen.

Passie voor kunst

Boek over wat mensen hebben met kunst

Voor het boek ‘Passie voor kunst’ en het AVRO-televisieprogramma ‘Liefhebbers’ interviewde Koos de Wilt prominente Nederlanders uit de wetenschap, politiek, het bedrijfsleven over de kunst.

‘VERNIEUWEN BINNEN DE TRADITIE’

 

Anton C. Zijderveld, emeritus-hoogleraar algemene sociologie

 

Ik houd van literatuur -- van Thomas Mann, Robert Musil, Doderer en Hermans -- maar het meest heb ik met muziek. Ik speel zelf piano en cello. Ik luister graag naar Mahler, maar nog een stapje hoger is de muziek van Bruckner. Van Bruckner krijg ik nooit genoeg.

 

Ik ben een man van woorden en letters, maar heb meer met muziek, vooral met Bruckner. Zijn muziek is altijd helder en wordt nooit blubber. Ik ben ook gek op de Tsjechische componist Janacek. Het is de grens tussen de negentiende en twintigste eeuw die me het meest intrigeert, de overgang naar de moderne cultuur. Ook de Centraal-Europese cultuur intrigeert mij zeer. Dan denk je al snel aan Klimt en de Wiener Werkstätte. Ik houd van Jugendstil, als het maar niet te tierelantijnerig wordt, het moet helder zijn. Die belangstelling voor het Centraal-Europese deel ik met mijn vrouw, die Oostenrijkse is. Zij is kleindochter van een kunstenaar van de Klimt-groep.

 

Toen we in 1967 in New York woonden zijn we getrouwd en vervolgens naar Wenen gevlogen om mij aan de familie van mijn vrouw voor te stellen. Waar wij verbleven was een kunstgalerie om de hoek en daar hing een prachtig schilderij op hout van Hermann Serient, duidelijk een bewonderaar van James Ensor en Jeroen Bosch. We hadden eigenlijk geen geld om het te kopen, maar hebben het toch gedaan. Dat werk heeft in al onze huizen gehangen. Een tijdje geleden had mijn vrouw op internet gezien dat een groot veilinghuis een klein paneeltje van Serient voor een betaalbare prijs aanbood. Ze heeft toen op internet geboden en haar zus heeft het opgehaald. Nu hebben we twee Serients in de gang. Ik heb hem dat geschreven en kreeg onlangs een enthousiaste brief terug, samen met een schitterende catalogus van een recente Serient-expositie in Wenen.

 

Abstracte, radicaal atonale muziek heeft alleen maar tot lege zalen geleid

Ik houd niet van traditiebrekers, maar meer van mensen die een brugfunctie hebben. Daarom houd ik niet van Schönberg. Hij breekt alleen maar af. Ik prefereer de moderne, hedendaagse muziek van bijvoorbeeld Peter Schat en Tristan Keuris. Die sluiten aan bij de traditie en zijn toch vernieuwend. Aansluiten bij de traditie is niet oubollig, is niet het terug willen naar vroeger, maar meer het binnen de traditie zoeken naar een eigentijdse kleurzetting en eigen structuren. Je ziet dat tegenwoordig weer veel bij jonge kunstenaars, maar ook in de wetenschap. Het postmodernisme vind ik tamelijk platvloers. Hetzelfde geldt voor de muziek. Als je mensen met enig muzikaal benul gillend de zaal uit wilt jagen, moet je minimal music spelen. Zo vreselijk! Ik kan daar absoluut niet tegen. Ik begrijp de reactie wel op het abstracte atonale, terug naar de basis. Het atonale was nodig, maar is niet de goede richting, een doodlopende weg. Ik houd van evolutionair denken; revolutionaire denkers hebben alleen maar ellende teweeggebracht. Na Lenin zijn de Russen niet gelukkiger geworden. Net als in de muziek houd ik in de beeldende kunst van objecten die binnen de traditie iets nieuws brengen. Kunstenaars als James Ensor en Rousseau le Douanier deden dat bijvoorbeeld. Het mooiste doek van Rousseau le Douanier vind ik Sleeping Gypsy dat in het MoMa in New York hangt. Je ziet een groen woud met een slapende dame en een loerende tijger met enge ogen. Een hallucinerende sfeer, een droomwereld met een loerend gevaar. Mondriaan vind ik uitgesproken saai, bij hem val ik in slaap. En ik declasseer mezelf volledig als ik beken niet echt weg te zijn van Picasso.

 

Ik ben dol op individuele kunstenaars en wantrouw alles wat school maakt. Ook in de wetenschap trouwens. Maar dat willen veel mensen niet. Die lopen liever achter een school aan en spugen als middeleeuwse scholastici de dorre dogma's van de school uit. Ik heb een studie gemaakt van het narrenfenomeen, van narrenfeesten en volksnarren. Narren hadden in de premoderne samenl